Contra-factcheck: de bevroren Rijn

Was de Rijn vroeger vaker bevroren en daarmee makkelijker passeerbaar dan tegenwoordig? Die vraag is te interessant voor een eenvoudig antwoord.

Ik ken geen trouwere blogger dan Jona Lendering. Dagelijks publiceren is bij hem echt dagelijks en dat al jaren achtereen. Bovendien draaien zijn posts niet om trivia of gemakkelijk gelijk halen, maar meestal om het scheiden van goede en matige redenaties.

Over de oudheid worden namelijk vaak bloemrijke verhalen verteld, terwijl Jona toedrachtscenario’s construeert op basis van grondige analyse van geschriften in samenhang met archeologische bronnen. Feit en fictie worden al doende van elkaar gescheiden. Dat levert fraaie werken als De rand van het Rijk, en veel vermakelijke posts over vermeende historische ‘feiten’ in de media.

Zo ook over het verhaal dat op 31 december 406 Vandalen en Alanen de bevroren Rijn overstaken in de buurt van Mainz. Ze konden zo zonder slag of stoot Gallië binnentrekken. Alleen, schrijft Lendering terecht: het feit dat er toen daadwerkelijk ijs lag blijkt nergens uit oude bronnen. Volgens Lendering is ijsvorming op deze plek in de Rijn zelfs niet plausibel:

“De Rijn bevriest immers zelden: het is in de twintigste eeuw in Nederlands slechts zes keer gebeurd, voor het laatst in de winter van 1962/1963. (…) Wie ook maar een halve tel nadenkt, zal begrijpen dat de Rijn, die bij Mainz aanzienlijk sneller stroomt dan hier te lande, waarschijnlijk niet bevroren is geweest.”

Ik denk dat die laatste constatering te veel uitgaat van het moderne beeld van de Rijn.

De huidige Rijn is namelijk een schim van de vroegere rivier. Dat ben ik me gaan realiseren door schrijverij over verdwenen trekvis; dan krijg je terloops een indruk van hoe mens en dier ooit de seizoenen beleefden in en langs de Rijn.

IJsgang en ijsdammen waren in de eeuwen voor de industriële revolutie en regulering van waterlopen een terugkerend probleem voor vissers en steden langs de grote rivieren. In Nederland kwamen geregeld grote overstromingen voor als kruiende ijsmassa’s rivieren blokkeerden.

IJs op de Rijn nabij de Lorelei, winter 1928-1929. Maker onbekend, bron: wikipedia.

Zulke ijsmassa’s en ijsdammen konden overal ontstaan, ook in de Oberrhein en Mittelrhein waar de oversteek van de Germaanse stammen in 406 zou hebben plaatsgevonden. Bijvoorbeeld in 1929 de buurt van de Lorelei, zo’n zestig kilometer stroomafwaarts van Mainz, waar ijsdammen met dynamiet werden opgeblazen om verdere ophoping tegen te gaan. Of nabij Worms, een flink stuk stroomopwaarts.

Onderstaand filmpje levert een van de weinige mij bekende bewegende beelden van zo’n ijsvlakte op de Rijn in 1954.

De video laat mooi zien dat rivieren meestal niet netjes dichtvriezen tot een gladde ijsvlakte. IJs groeit op een rivier aan tot schotsen die verder drijven en op elkaar botsen. Als de koude lang genoeg duurt vriest het aaneen tot een vaste vloer of dam, terwijl het water eronder nog stroomt. Het oppervlak is letterlijk schots en scheef.

Dat we dat soort ijsmassa’s zelden meer zien heeft iets te maken met klimaatverandering, waardoor strenge winters minder vaak voorkomen. Verder hebben warmte van steden, koelwater van industrie en energiecentrales ook de gemiddelde temperatuur verhoogd.

Sinds 1910 is de gemiddelde temperatuur van de Rijn in Nederland met 2,9 graden gestegen. Het aantal dagen per jaar dat de watertemperatuur bij Lobith daalt tot onder de vijf graden is meer dan gehalveerd van 77 naar 30. Logisch dat wij ijsgang nauwelijks meer kennen.

Rijn en Maas zijn gemiddeld veel warmer geworden; het vriespunt wordt zelden meer bereikt. Bron: Compendium voor de Leefomgeving.

 

Toch is dat maar een gedeeltelijke verklaring. De Rijn is ook getemd doordat ie is rechtgetrokken en ommuurd door kades en bedijking die overstromingen moeten tegengaan. De Rijn heeft tussen 1830 en 1960 een enkele vaste, rechtlijnige bedding gekregen.

Vooral tussen Bazel en Worms is de rivierloop grondig onder handen genomen: 82 kilometer aan bochten en kronkels zijn afgesneden of doorgestoken, nevengeulen en moerassen zijn drooggelegd en eilanden verwijderd. Ook andere delen van de Rijn verder stroomafwaarts werden langs de liniaal gelegd.

Van netwerk naar goot: kanalisering van de Oberrhein vanaf 1828 tot 1963. Bron: FAO

Voorafgaand aan deze ingrepen deden hoogwaterpieken 65 uur over de afstand tussen Bazel en Karlsruhe, erna nog maar 24 uur. Vroeger had water in de Rijn meer tijd en omwegen om naar zee te stromen, door meerdere nevengeulen en ondiepere, moerassige beddingen. Tegenwoordig stroomt het water sneller en is er meer erosie: op sommige plaatsen is de bedding van de rivier zeven meter gedaald.

In een brede bedding stroomt water trager dan in een betonnen ingenieursgoot. De kans op ijsvorming was daardoor vroeger bij  vaker voorkomende koudwaterperiodes groter dan tegenwoordig. Misschien was daardoor de passeerbaarheid wel veel eenvoudiger en frequenter mogelijk, zeker in zo’n riviervlakte van stromen, kleine stroompjes en eilandjes.

De Rijn heeft een vaste bedding gekregen. Oberrhein bij Breisach in 1938 en 1980. Bron van kaarten: www.iksr.org

Wij zien tegenwoordig rivieren als een massieve watersnelweg zonder vluchtheuvels; ze vormen een grens zoals we vinden dat grenzen moeten zijn. Maar de huidige Rijn is meer een waterwerk, een opgewarmde menselijke creatie, dan een rivier. Hoe het ooit in de winter is geweest, 1500 jaar geleden, gaat ons voorstellingsvermogen goeddeels te boven.

Of er op 31 december 406 daadwerkelijk Germaanse stammen de Rijn zijn overgestoken, kunnen we inderdaad niet uit de bronnen opmaken. Maar dat de Rijn via het ijs oversteken goed kon, en geen uitzondering was, acht ik zeer aannemelijk.

Literatuur: Mark Cioc (2002) The Rhine – An Eco-Biography, 1815-2000. University of Washington Press.