Het slappe koord tussen journalistiek en communicatie

4 juni staat de beroepsethiek van de wetenschapsjournalistiek ter discussie op Bessensap. Een van de vragen die dag: ‘Is een wetenschapsjournalist, die ook geld verdient met jaarverslagen of PR-bladen nog onafhankelijk?’ Interessant hoe administratief geworstel met de indeling van wetenschapsjournalisten en communicatieprofessionals (A- en B-leden) in de VWN een discussie over journalistieke integriteit is geworden. Steeds meer VWN-leden combineren journalistiek met communicatiewerk voor bedrijven en instellingen.

Volgens sommigen is die combinatie van rollen en petten altijd een probleem, je MOET kiezen. Ik ben wat minder stellig. Het hangt er helemaal vanaf wat voor opdracht, type klant en type publicatie. Ik schrijf geen persberichten, maar wel achtergrondverhalen voor een journalistiek relatiemagazine van een universiteit. Tegelijkertijd ben ik allergisch voor een al te gemakkelijk ‘anything goes’ bij de combinatie van journalistiek met commerciële werkzaamheden.

Het gaat namelijk over onafhankelijkheid, het belangrijkste journalistieke ideaal. Streven naar onafhankelijke journalistiek is onder meer de reden dat persvrijheid is vastgelegd in artikel 7 van de grondwet, en redacties statuten hebben tegen commerciële inmenging en andere invloeden. Journalistieke onafhankelijkheid is een burgerrecht dat nog dagelijks wordt bevochten.

Onafhankelijkheid is ook een voorwaarde voor het publieke vertrouwen dat journalisten het hele verhaal vertellen, en niet een versie die bepaalde groepen welgevallig is, omdat de journalist andere belangen en loyaliteiten laat meespelen. ‘Independence is an underlying requirement of journalism, a cornerstone of its reliability’, schrijven Amerikaanse collega’s in hun journalistieke mission statement.

Vooral buitenlandse media bewaken die positie met uitgebreide gedragsregels voor relaties met nieuwsbronnen, bijvoorbeeld over bijverdiensten, het aannemen van betalingen en cadeaus of accepteren van persreizen. Doel is om belangenverstrengeling te voorkomen, of de schijn daarvan. Ook als een journalist naar eer en geweten werkt en geen enkele invloed ervaart, is twijfel aan de onafhankelijkheid net zo schadelijk.

Journalistieke onafhankelijkheid draait dus om relaties en de invloed daarvan op het vertrouwen van het publiek in de journalistiek. Dat gaat lang niet altijd om geld. Een journalist die het promotieonderzoek van zijn partner in een lovend stuk in de krant zet, wordt niet door de bron betaald, maar het kan toch vragen oproepen over z’n onafhankelijkheid.

In vergelijking met redacties is voor freelancers veel minder vastgelegd. Ze werken voor verschillende opdrachtgevers en zijn niet gebonden aan een titel of redactiestatuten. Bovendien zijn ze verantwoordelijk voor hun eigen inkomen en journalistieke afwegingen, waarin ze vrij zijn om hun eigen geweten te volgen. En toch: het zou heel vreemd zijn als journalistieke mores rond onafhankelijkheid alleen in loondienst zouden gelden – en dat is ook niet zo.

Ik zie in de praktijk uiteenlopende werkwijzen. Van journalisten die uit principe nooit commercieel of communicatiewerk doen tot degenen die beide zaken doorlopend combineren. Er zijn ook freelancers die bepaalde opdrachtgevers principieel mijden (zoals farmaceuten), terwijl ze wel voor Waddenvereniging, NWO en het Astmafonds werken. Anderen doen geen opdrachtwerk voor partijen die ze in hun journalistieke werk als nieuwsbron kunnen tegenkomen. Er zijn ook grote verschillen in openheid: de een meldt op z’n site alle opdrachtgevers, anderen vermelden alleen vaste journalistieke klanten.

Die verschillende werkwijzen en motieven zijn een uitgangspunt voor discussie. Met als vervolg de vraag onder welke omstandigheden (commerciële) relaties met nieuwsbronnen schadelijk voor het vertrouwen in onafhankelijke wetenschapsjournalistiek kunnen zijn.

Een gewaagde voorspelling: de discussie zal geen consensus leveren of een nieuwe indeling voor A- en B-leden. Niet getreurd, de hoofddoelstelling van de VWN is het ‘kwalitatief bevorderen van het beoefenen van de journalistiek ten aanzien van onderwerpen op het gebied van wetenschap en technologie.’ Die missie is bij voorbaat geslaagd.

 

 

Het credo ‘journalisten publiceren wat ze horen’ is te simpel

‘Wij schrijven op wat we horen’, antwoordt de journalistiek vaak in reactie op kritiek. De nasleep van de berichtgeving over prins Friso laat zien dat  die karikatuur zich ook tegen de journalistiek kan keren.

 

 

Zodra de journalistiek stevig de wind van voren krijgt, wordt het publiek debat binnen de kortste keren erg overzichtelijk. Dan wordt er gepassioneerd overgeschakeld op ‘one principle reasoning‘, een term die journalist Christopher Hanson bedacht voor het simplistisch rechtvaardigen van journalistieke keuzes, terwijl er eigenlijk tegengestelde belangen in het geding zijn. ‘Merely citing a guiding principle of journalism – even citing one as basic as informing the public – is not sufficient to justify an news decision involving conflicting principles.’

In de discussie over de berichtgeving over prins Friso gaat het niet anders.

‘Wat ben ik blij met journalisten als Jannetje Koelewijn en Peter Vandermeersch. Die schrijven op wat ze horen. Je bent geen journalist geworden om iets te verzwijgen, schreef Dolf Rogmans, hoofdredacteur van Villamedia Magazine.

‘Koelewijn had het geluk aanwezig te zijn in het ziekenhuis en deed wat elke journalist in haar schoenen gedaan zou hebben. Ze bracht nieuws, of ten minste nuancerende feiten bij het nieuws’, stelt Henk Blanken op De Nieuwe Reporter.

Media in het algemeen zouden zeer terughoudend moeten zijn met het achterhouden van nieuws dat van belang is voor de samenleving’, schreef Sander Gregoire, student journalistiek aan hogeschool Windesheim.

‘Ik ben journalist, en wij zijn er toch om alles wat we weten te openbaren’, verklaarde nrc-journaliste Jannetje Koelewijn in een interview met BNR de dag na publicatie. Bovendien had ze met open vizier gewerkt en zich duidelijk kenbaar gemaakt als journalist, die over wat ze hoorde zou publiceren.

Hoofdredacteur Peter Vandermeersch stelt in een uitgebreide verantwoording in NRC van 20 februari zelfs dat niet publiceren de geloofwaardigheid ‘als nieuwsorganisatie’ zou aantasten.Maar publiceren we niet, dan zouden we nalaten wat wij claimen te doen: met onze journalistieke methodes proberen de waarheid over relevante zaken zo genuanceerd mogelijk aan het licht te brengen.’

Geen dilemma

Kort samengevat komt het neer op: journalistiek dient het publiek belang – informatiebehoefte – en dat levert een dwingende plicht tot volledige openbaarheid. Getting the news out is zo belangrijk, dat er bij voorbaat nauwelijks een ander belang tegenop kan. Nieuwsbeslissingen over bijvoorbeeld publiek belang van informatie versus privacy zijn zo bekeken eigenlijk helemaal geen dilemma.

Dat ‘publiek belang’ lijkt overigens aan inflatie onderhevig. ‘Dit is het gesprek van de dag. Mensen willen graag op de hoogte gebracht worden, zegt media-ethicus Huub Evers. Hij spreekt over ‘een soort maatschappelijke geruststelling’, die blijkbaar evenveel rechten en plichten oplevert als de controle van bestuurlijke en economische macht, ten dienste van een vrije samenleving.

Het kan zijn dat in de geestdrift om het journalistieke vak te verdedigen de vlotte soundbites de nuance wegdrukken. Toch heeft dat een schadelijke uitwerking. Er ontstaat een karikatuur, die zich uiteindelijk tegen de journalistiek keert.

Idealen zijn richtlijnen – first obligation is to the truth, first loyalty is to citizens – maar ze beschrijven niet in detail wat journalisten dagelijks doen of zouden moeten doen. Beslissingen over nieuws zijn veel complexer dan ‘we schrijven wat we horen’. Het domweg publiceren van anonieme beschuldigingen is bijvoorbeeld not done. Een journalist moet ze hard kunnen maken – liefst met meerdere niet anonieme bronnen – en van wederhoor voorzien. Lukt dat niet, dan volgt (voorlopig) geen publicatie. Verificatie en een oordeel over proportionaliteit van de schade door de publicatie spelen dus ook mee.

Verdediging als verwijt

Het ging bij de berichtgeving over prins Friso niet anders. NRC heeft allerlei afwegingen gemaakt over wat de krant wel en niet zou brengen. De redactie heeft deskundigen geraadpleegd over reanimatie, en bronnen om bevestiging gevraagd. Dat leverde uiteindelijk een nieuwsbeslissing: een inbreuk op Friso’s privacy, met publiceren over een schedelbasisbreuk, maar niet over een lange reanimatie. NRC koos ervoor, in Vandermeersch woorden, om terughoudend en genuanceerd te berichten.

Over die achteraf gezien ongelukkige beslissing en de gebruikte bronnen is voorlopig het laatste woord niet gezegd. Een ding valt nu al op: wat eerst een verdediging vormde, keert zich nu tegen de journalistiek. Week één waren Jannetje Koelewijn en NRC de helden van het vrije woord – ze publiceerden gewoon wat ze wisten. Week twee wordt ze verweten dat ze informatie hebben achtergehouden of verzwegen. Ze handelden in strijd met de journalistieke beroepsplicht! Het is een van de verwijten in wat op Twitter steeds meer op een volksgericht gaat lijken.

Het treurige is: geen van beide beelden klopt. NRC heeft gedaan wat media altijd doen: afwegingen en keuzes maken bij nieuwsbeslissingen. Ze hebben zich alleen – net als hun journalistieke medestanders – beroerd verdedigd, door teveel nadruk te leggen op eenregelige idealen. Daar is helemaal niemand mee geholpen, ook niet het publiek begrip van de journalistiek.

NRC en Friso’s brein: wachten op goede argumenten

Er valt door NRC veel meer uit te leggen dan ‘we brachten het nieuws, en daarvoor moest Friso’s privacy wijken’. Of de primeur al dan niet te rechtvaardigen is, hangt af van de expliciete afwegingen van belangen door journalist en hoofdredactie. Die zijn erg summier en overtuigen tot nu toe niet.

 

NRC-journaliste Jannetje Koelewijn kreeg door tussenkomst van haar man (neurochirurg Kees Tulleken) details over de gezondheidstoestand van prins Friso te horen. Die scoop leidde tot een inmiddels stevig bekritiseerd artikel op de voorpagina. De hoofdredacteur van NRC zegt in antwoord op kritiek dat er een afweging is gemaakt tussen het recht op privacy en het recht op informatie.

Omdat het wel degelijk nieuwe informatie toevoegt aan het verhaal van het ski-ongeluk en omdat het gegevens die tot nu toe voor waar werden aangenomen ontkrachtte of nuanceerde. Hier botsen, en daar waren we ons gisteren natuurlijk bewust van, het recht op privacy van de patiënt met het recht op informatie.”

Ik hoop dat Peter Vandermeersch de komende weken meer ruimte neemt voor uitleg en argumentatie. Een journalistieke afweging is meer dan met genuanceerde zinnen vertellen dat je een afweging hebt gemaakt. Afwegen, het werkwoord zegt het al, heeft te maken met het toekennen van gewicht aan zaken, om die vervolgens tegen elkaar af te wegen. Dat gebeurt nu niet, of op hooguit op schamele wijze, of met zwakke gelegenheidsargumenten. Dat schaadt NRC en de journalistiek.

Waarom?

Uw belang vs Friso’s privacy

Vandermeersch spreekt over een belangenafweging tussen recht op privacy en recht op informatie. De belangrijkste vraag is waarom het recht op privacy hier moet wijken. Welk maatschappelijk belang is daarmee gediend? Er zijn geruchten over een schedelbasisfractuur, die NRC wilde ontkrachten. In het geval van Barack Obama of zelfs premier Mark Rutte is dat helemaal te rechtvaardigen: hun medische toestand – mocht ie plots verslechteren – bepaalt de politieke stabiliteit en toekomst van de regering. Friso is weliswaar een publiek figuur, maar zijn maatschappelijke positie is dusdanig (geen troonopvolger, geen regeringsinvloed) dat zijn medische toestand of zelfs onverhoopt overlijden geen politieke of maatschappelijke gevolgen heeft. Hooguit emotioneel. Nederland leeft mee, we zijn nieuwsgierig, en de premier stelt zijn vakantie uit.

Er wordt dus geen echte belangenafweging gemaakt, tussen de impact en het maatschappelijk belang van de informatie die wordt gebracht, en de belangen van de prins Friso.

Beroepsgeheim v.s. nieuwsplicht

NRC besluit zaken openbaar te maken, die afkomstig is uit de door medische beroepsethiek beschermde relatie tussen patiënt en arts. Die relatie werd bewust geschonden. Daarmee is het in zekere zin informatie met een problematische herkomst. Dat de journaliste zich direct bekend maakte is een prima daad van transparantie. Maar dat Koelewijn de RVD daarmee uitsluitend voor zou zijn, is de vraag. Het hangt af van wat de prins, koninklijk huis en RVD uiteindelijk besluiten om openbaar te maken – die keuzevrijheid is de kern van het openbaar maken van persoonlijke medische informatie.

Ook het argument dat Koelewijn slechts direct openbaar maakt wat ze weet en dat dat zelfs de taak of plicht van een journalist is, is geen afweging. “Ik ben journalist, en wij zijn er toch om alles wat we weten te openbaren. Het moreel ethische probleem ligt vooral bij de artsen”, zegt Koelewijn in een interview met BNR Nieuwsradio. Het lijkt zo alsof een journalist geen andere morele verantwoordelijkheid heeft dan altijd vertellen wat ze weet – het nieuws brengen. Het is zeer de vraag of dat zo is. Waarom zou Vandermeersch anders stellen dat NRC niet alles bracht wat bekend was?

Er wordt ook hier geen echte afweging gemaakt tussen belangen van journalistiek, publiek en prins Friso. De verantwoordelijkheid van de journalist lijkt te bestaan uit het gehoorzamen van een dwingend universeel belang: informatie brengen.

Relatie tussen journalist en bron

Tot slot een voetnoot, die de casus extra dimensie geeft. Koelewijn en Tullekens zijn een echtpaar. De journalist beschrijft haar partner als bron De relatie tussen bron en journalist is een ingewikkelde. Van journalisten wordt distantie gevraagd, zodat ze zonder last of ruggespraak kunnen werken. Het is moeilijk om tegelijkertijd lief te hebben en te bekritiseren. Het kan ook schijn van belangenverstrengeling wekken. Om die reden werd een vriendin van staatssecretaris Henk Bleker – een NRC-journaliste – naar een andere redactie overgeplaatst.

Dat er iets ongemakkelijks schuilt in de relatie, schemert een beetje door in het artikel over Friso’s brein: Kees Tulleken naam wordt nergens genoemd, ook niet in Vandermeersch redactionele column. Tulleken is een gezichtsloze ‘mijn man’. Alles moet van NRC bekend worden, maar dat aspect even niet. De lezer moet zelf gaan Googelen.

Sommige media, als de New York Times verbieden relaties tussen journalist en bronnen van het nieuws dat ze coveren.”To avoid conflicts, staff members may not furnish, prepare or supervise news content about relatives, spouses or others with whom they have close personal relationships. (…)”

Uitzonderingen op de regel zijn altijd mogelijk, gewoon omdat de omstandigheden spontaan ontstaan. Maar het maakt het verhaal wel ingewikkelder, en daarmee afwegingen en rechtvaardigingen. Het is bijvoorbeeld onduidelijk of beiden naar het ziekenhuis gingen vanwege Tullekens professionele interesse, of een geplande journalistieke missie. Doet dat er iets toe? Wel als vervolgens de rechtvaardiging is dat de journalist toevallig ter plaatse was. Intentie verandert alles.

Er valt kortom meer uit te leggen dan ‘we brachten het nieuws’, en daarvoor moest privacy van de prins wijken. Of daarmee de primeur al dan niet te rechtvaardigen is, hangt af van de afwegingen en argumenten van journalist en hoofdredactie. Tot nu toe weten die hun zaak niet goed te bepleiten. 

 

 

Watervoetafdruk: slippery when wet

Het was de week van de watervoetafdruk. Nav een publicatie van Arjen Dijkstra en een persbericht van de Universiteit Twente.

Een opvallend onderzoek en een krachtig concept, die watervoetafdruk. Het leverde her en der wat berichten. Toch is het als je langer kijkt naar de cijfers een vreemd onderwerp.

 

Dat komt vooral door de exactheid waarmee schattingen uit deze studie in de media worden gepresenteerd als loepzuivere cijfers: 1385 kuub, 92 procent, 74 procent. Nederland staat op de 49e plaats op de watervoetafdrukranglijst.

Ik lees verder in de Volkskrant van 15 februari dat een kilo rundvlees 15.415 liter water kost. En dus niet 15.417. En het jaarlijkse waterverbruik over de periode 1996-2005 van een inwoner van Hongarije is 3 kuub lager dan van een inwoner uit Tadzjikistan: 2384 om 2387 kuub.

Moet je je voorstellen: gemeten over een periode van tien jaar, bij een groeiende bevolking en economie, zou iemand een verschil in kaart kunnen brengen van 0,12 procent. En we hebben het niet over de gemeentelijke watermeters in de gangkasten van Hongaren en Tadjzieken, maar over globaal verbruik inclusief landbouw, industrie, enz.

Onzin natuurlijk, veel van die verschillen zullen wegvallen in de ruis van de waarnemingsfouten. Het is geen exacte wetenschap, maar grof boekhouden met modellen, aannames en afleidingen uit andere, economische bronnen.

Gelukkig zegt ook Dijkstra dat in zijn paper:

“The data presented in this paper are derived on the basis of

a great number of underlying statistics, maps, and assumptions.

Because all basic sources include uncertainties and possible

errors, the presented WF data should be taken and interpreted

with extreme caution, particularly when zooming in on specific

locations on a map or when focusing on specific products.”

Jammer dat die onzekerheid toch niet gekwantificeerd wordt; misschien kunnen we waterverbruik slechts inschatten tot op het niveau van 100 kuub. Is er voor  een kilo rundvlees 10.ooo liter water nodig, plus of min 3 kuub.

Maar ja, het voorbehoud uit de publicatie zien we niet meer terug in de media. Misschien heeft het er ook iets mee te maken dat Dijkstra zich sterk maakt voor bewustwording van het concept watervoetafdruk.

Ik snap dat beeldende presentatie van eenduidige cijfers bijdraagt aan die missie. Heel goed hoor, dat engagement, maar extra reden voor de journalistiek om vriendelijk door te vragen en onzekerheden veel meer naar voren te halen.

 

Reportages met klikbare diepgang

Meestal werk ik voor papier, maar een recente opdracht voor VPRO Noorderlicht was weer een reminder hoe anders je keuzes kunnen zijn als je het internet aan je verhaal kunt koppelen.

De twee reportages horen bij twee afleveringen van Nederland van Boven, over natuurbeheer en water. Ze kwamen op de dag van de uitzending op de site van de aflevering te staan. Prettig om het veld in te gaan voor lokale sfeer en enthousiasme van de geinterviewde, en vervolgens toch naar alle achtergronden van je research te kunnen verwijzen.

 

‘Natuurbeleid kost Nederland 600 soorten’  – Het belang van grote oppervlakken in de natuur

Nederland van Boven toont deze week hoe Nederland de natuur organiseert en beheert. Het huidige kabinet bezuinigt de komende jaren zo’n 600 miljoen op natuurbescherming. Wat betekent dat voor planten en dieren in Nederland? Meer op Wetenschap24

 

20.000.000 kuub zand per jaar – De strijd tegen het water wordt steeds intensiever

De zeespiegel stijgt, maar de Nederlandse kust kan dat via natuurlijke processen bijbenen, als de mens flink meehelpt. Dit ‘bouwen met de natuur’ is een van de adviezen van de Deltacommissie, die nu al in praktijk wordt gebracht. Meer op Wetenschap24

 

Betrouwbare media en het nulfoutenideaal

Zijn de media betrouwbaar? Velen hebben er een mening over, maar eigenlijk weten we het niet. Want om een helder antwoord te krijgen moet je eerst grondig onderzoek doen. En erkennen dat fouten erbij horen.

Deze post verscheen onder een andere titel op De Nieuwe Reporter

“De betrouwbaarheid van de media is in het geding”, zegt Jaap de Jong in zijn oratie. “Er is een probleem met de betrouwbaarheid van nieuws”, stelt Michaël Opgenhaffen in iets stelliger woorden.

Het klinkt alleszins beschaafd en aannemelijk. Het zijn analyses die vaker op DNR te lezen zijn. Het gaat me ook niet zozeer om deze specifieke bijdragen, maar om de benadering van de journalistiek als onderwerp van onderzoek en kritiek. Om bij dit concrete geval te blijven: hoe kom je tot de conclusie dat de betrouwbaarheid van de journalistiek reden voor bezorgdheid geeft? En wat is dat dan precies, die betrouwbaarheid?

De Jong en Opgenhaffen illustreren om te beginnen hun stelling met casussen uit Nederlandse en Belgische media, variërend van eenvoudige missers tot regelrechte fictie in verslaggeving. Zo bekeken is betrouwbaarheid een kwaliteitskenmerk van journalistieke kennis, een maat van nauwkeurigheid. Heel simpel gezegd: foutloosheid.

Maar in de daarna volgende uiteenzettingen wordt het steeds ingewikkelder. Eerst is betrouwbaarheid de score op een vraag in een publieksenquête, later heeft het te maken met redactionele transparantie of persoonlijke ethiek. Betrouwbaarheid kan blijkbaar slaan op berichten, instituten, personen, idealen en beroepsimago. Die zaken hebben misschien indirect iets met elkaar te maken – misschien ook niet.

Een paar kanttekeningen bij deze discussie en een paar suggesties.

Definities: wat wordt er bedoeld?

Journalistieke betrouwbaarheid is geen makkelijk, eenduidig begrip. Het lijkt soms in de verte afgeleid van betrouwbaarheid van kennis in de wetenschap. Maar waar de wetenschap allerlei manieren heeft om betrouwbaarheid te valideren (herhaalbaarheid, consistentie, statistische toetsing), staat de journalist in de regel met lege handen. En daarmee wordt het beoordelen van betrouwbaarheid veel minder eenvoudig dan soms wordt gesuggereerd.

Het begint dus met een omschrijving van ’betrouwbaarheid’. Gaat het om feitelijke nauwkeurigheid? Draait het om verificatie? Of de interpretatie van de feiten, en de kritische kanttekeningen die daarbij worden gemaakt? Het eerste is makkelijker eenduidig te beoordelen, dan het laatste.

En ‘de betrouwbaarheid’ van de journalistieke beroepsgroep is van een heel andere, sociaalwetenschappelijke orde.

Gebrek aan kwantitatief onderzoek

Veel analyses van de ‘toestand’ van de media starten en eindigen met casuïstiek. Het is zeer de vraag in hoeverre die representatief is. Kun je op grond van een fantaserende journalist of een fout bericht algemene uitspraken doen over de betrouwbaarheid een medium?

Die vraag is op dit moment eigenlijk niet te beantwoorden, want het ontbreekt aan systematisch onderzoek. Dat er tientallen of zelfs honderden berichten kapot gecheckt kunnen worden, geeft geen indruk over de kwantitatieve schaal of kwalitatieve impact.

Bovendien ontbreekt vaak gevoel voor proportionaliteit. Fouten in triviale wetenschap- en lifestyle-nieuwtjes hebben een andere impact dan een te stellige duiding van de giftigheid van de lading van de Probo Koala.  Niet alle fouten zijn van dezelfde orde.

Als het gaat om het opsporen van fouten en feitelijke onjuistheden, zou er zonder bias steekproefsgewijs onderzoek moeten worden gedaan om een betrouwbaarder beeld te krijgen.

Dat is vooral belangrijk voor wie wil zien of in de loop van de tijd zaken veranderen. Nu luidt vaak de stellige opinie dat zaken verslechteren, maar dat is juist de onderzoeksvraag.

De valkuil van het nulfoutenideaal

De discussie over betrouwbaarheid gaat zelden over de vraag in hoeverre onnauwkeurigheid en fouten horen bij de journalistiek. Gewoon, omdat het een bijproduct is van intensieve kennisvergaring.

Waar de wetenschap simpel rekenschap geeft van onzekerheden in verkregen kennis, houden veel journalisten hardnekkig vol dat hun vak in principe foutloos werk kan leveren. Zo worden journalisten opgevoed, maar de wereld strookt helaas niet met dat beroepsideaal.

Hetzelfde geldt voor mediakritiek en discussies over journalistieke nauwkeurigheid: foutloosheid is het impliciete uitgangspunt. Er wordt bijvoorbeeld gesteld dat tijdsdruk en werkdruk de storende factoren zijn; als iedereen maar extra tijd en middelen krijgt, verdwijnen fouten vanzelf.

Guardian-hoofdredacteur Alan Rushbridger zet in zijn Orwell-lezing dit scheve wereldbeeld treffend neer:

“But the truth, as all honest journalists know, is that newspapers are full of errors. Not just errors, but crude over-simplifications, mistakes of emphasis, contestable interpretations and things which should simply have been phrased differently. It seems silly to pretend otherwise. Journalism is an imperfect art – what Carl Bernstein likes to call the “best obtainable version of the truth”. And yet many newspapers do persist in pretending they are largely infallible.”

De conclusie van het bovenstaande is niet dat de praktijk te rommelig is om nog iets te kunnen zeggen over journalistieke kwaliteit. Maar het zet betrouwbaarheid als ‘probleem’ wel in een ander daglicht.

Betrouwbaarheid is minder makkelijk grijpbaar dan soms blijkt uit discussies over het functioneren van de media. Er is nog veel onderzoekswerk aan de winkel. Tot die tijd moeten we de feiten maar blijven checken en bescheiden zijn over wat we eigenlijk weten.

Egoïstische vleeseters (5) – feiten, fictie en framing

inspiratiebron

De eerste golf  publiciteit over het ‘vleeshufteronderzoek’ was een sterk staaltje framing. Hoe de media met objectieve verslaggeving toch de feiten geweld aan kunnen doen.

Met een berisping van hoogleraar Roos Vonk is het dossier over het onderzoek naar de psychologie van vlees eten afgesloten. Diederik Stapel is ontslagen voor het verzinnen van de onderzoeksdata. Roos Vonk had daar geen aandeel in, concludeert het CvB van RU Nijmegen . Ze is berispt voor de manier waarop ze, voordat er een publicatie was verschenen, naar buiten is getreden, en de suggestie wekte dat ze een grote bijdrage aan het onderzoek had geleverd.

“De bemoeienis van mevrouw Vonk met de opzet en uitvoering van het onderzoek was zeer gering. (…) Zij heeft voorbarig conclusies verbonden aan data die ze niet zelf had verzameld en ook niet gecontroleerd.”

Ook de afdeling voorlichting van de RU Nijmegen wordt op de vingers getikt. “Het college van bestuur stelt ook vast dat de wetenschapsredactie van de universiteit geen medewerking had mogen geven aan het persbericht. Daarbij is de zorgvuldigheid onvoldoende in het oog gehouden. Het college heeft hierover een aantal keer met de redactie gesproken.”

Het persbericht was door haarzelf opgesteld, zo verklaarde Vonk eerder: “Ik had nooit eerder een persbericht gemaakt over onderzoek; in het verleden kwamen journalisten meestal op mij af na een onderzoek en dan werd er ook al druk over geschreven vóórdat het beoordeeld was. Maar ik duik niet weg voor de verantwoordelijk: ik heb het persbericht aangeboden aan de communicatieafdeling en dat was te voorbarig.”

Voor een allereerste persbericht is het een bijzonder resultaat. Je gaat bijna vermoeden dat een mediastrateeg even een helpende hand heeft toegestoken. Dat komt door zowel de vorm als de inhoud. Het persbericht oogt als een kant-en-klaar journalistiek artikel en het heeft precies de juiste woordkeuze. Zowel de lopende tekst als de quotes van de drie betrokken hoogleraren putten uit exact dezelfde metaforen en vocabulaire.

Meer specifiek: de framing in het persbericht is heel consequent en effectief. Het frame – vlees eten = hufterig – bouwt voort op eerdere maatschappelijke discussies waarin vleesconsumptie wordt vergeleken met autorijden (en de ‘asobak’ Hummer), en vleesconsumptie in het algemeen als antisociaal wordt getypeerd (bijvoorbeeld naar aanleiding van de documentaire Meat the Truth). “Een vegetariër in een Hummer stoot minder broeikasgas uit dan een vleeseter in een Prius”, is een bekende – half ware -  quote in dit verband.

De woordkeuze en invalshoek in het persbericht volgen niet uit het zogenaamd wetenschappelijk onderzoek van Diederik Stapel. Het zijn metaforen, betrekkelijk nieuwe stereotypen in de maatschappelijke discussie over duurzaamheid en dierenwelzijn.

Kenmerk van een goed gekozen frame is dat het heel vanzelfsprekend, zonder kanttekeningen wordt overgenomen. De resultaten werden binnen een dag op de sites van vrijwel alle landelijke media weergegeven met precies dezelfde woorden als het persbericht. Dat het ANP het oppikte en bewerkte speelde een belangrijke rol, zo laat navraag door de NRC-ombudsman zien. Veel sites baseerden zich vervolgens op ANP (zie bijvoorbeeld de links in de vorige post over dit onderwerp).

“Spaak, redacteur Gelderland, had een persbericht gelezen en de site bekeken van een van de drie onderzoekers. Dat was de Nijmeegse hoogleraar Roos Vonk, die een enthousiast verhaal had over het onderzoek. Toen was het tikken geblazen. Spaak, per e-mail: „Wij worden geacht snel, objectief, kort en bondig te zijn. Dus hebben we het sec gebracht, erop vertrouwend dat een universiteit geen onzin de wereld in gooit.”

De vleeshufteraffaire laat zien dat er naast wetenschapsfraude ook interessante communicatieverschijnselen speelden. Het persbericht deed veel meer dan wetenschapsnieuws populariseren. Het probeerde het publiek te overtuigen dat de wereld op een bepaalde manier in elkaar zit – dat vlees eten hufterig is. Media gaven in dit geval met objectieve berichtgeving en volkomen correct citeren veel meer door dan een wetenschappelijk onderzoeksresultaat.

Evolutie van de racemakreel

Scomberomorus brasiliensis & Scomber scombrus

Scomberomorus brasiliensis & Scomber scombrus

Deze Spaanse makreel is ruim veertig centimeter lang en weegt iets minder dan een kilo. Het is een Scomberomorus brasiliensis – de soortnaam verraadt de wateren waar hij werd gevangen. Eronder ligt de vaderlandse ‘gewone’ makreel (Scomber scombrus).

Ze zijn tot in elk  detail familie van elkaar. Uitgaande van een gemeenschappelijke voorouder zijn er in de loop van miljoenen jaren wat verschillen in stroomlijning, motorvermogen en beplating tot stand gekomen. Allebei passend bij hun levensstijl, maar de basisonderdelen zijn gelijk gebleven. Leg er een blauwvintonijn naast (het racemonster uit de makrelenfamilie) en je herkent weer de verwantschap. Mooie illustratie van evolutionaire tuning.

De Spaanse makreel is meer op snelheid gebouwd dan z’n neef uit de Noordzee. Dat zie je vooral aan de vorm van de maanvormige staart en kiel vlak voor de staartvinnen. Die horizontale uitsteeksels verminderen wrijving als de smalle staartwortel snel door het water heen en weer beweegt. Snelzwemmende haaien, zwaardvissen en ook dolfijnen hebben staartkielstructuren.

Staart met kielstructuren

Staart met kielstructuren

De twee kleinere kieltjes op de staart staan schuin en naar elkaar gericht. Ze helpen waarschijnlijk als een soort trechterstructuur om de waterstroming op de staart te versnellen. De gewone makreel heeft geen dikke horizontale kiel maar slechts twee nauwelijks zichtbare kleine kieltjes.

Beide makreelsoorten hebben minuscule vinnetjes tussen rugvin en staart. Die verminderen turbulentie rond de staart en maken zo de voortbeweging efficiënter.

Het op naam brengen van deze Spaanse makreel leverde wat hoofdbrekens, omdat er twee soorten zijn die erg op elkaar lijken: de Atlantische Spaanse makreel (Scomberomorus maculatus) en de Serra Spaanse makreel (Scomberomorus brasiliensis). De eerste zwemt voor de kust van Florida en Mexico, de tweede vanaf Belize tot het zuiden van Brazilië. Pas in 1978* werden ze van elkaar onderscheiden op basis van wervelaantal en borstvinlengte.

De Spaanse makreel en de gewone makreel werden in de oven getransformeerd tot pepesan. Bij de postdiner anatomische les bleef de wervelteller steken op 47, waarmee het S. brasiliensis moet zijn geweest. De smaaktest viel overigens ruim in het voordeel uit van de Spaanse makreel. Iets droger en veel smakelijker vlees. Dat zal iets te maken hebben het dieet van vis en tropische garnalen van deze soort. De gewone makreel is meer een planktoneter.

 

*Met dank aan Pepijn van Erp voor het helpen aan literatuur over wervelaantal bij makrelen.

De geelgestreepte knorbaars

Porkfish Anisotremus virginicus

Porkfish Anisotremus virginicus

Deze paradijsvogel viel afgelopen woensdag nogal uit de toon tussen het blauw-bruin-grijs van makreel, schelvis en tong. Dit enkele exemplaar lag in een krat met voor  mij onbekende grijsroze vissen, volgens de visman silver snappers uit de Cariben. Ik kocht de gemaskerde geelstreep en een silver snapper voor precies zes euro.

De Cariben gaf een zoekrichting, maar nog geen naam voor de tropische streepvis. Twitter wist raad en binnen een uur meldde Pepijn van Erp trefzeker dat het om Porkfish moet gaan. Dat kan inderdaad niet missen.

De naam pork danken deze baarsachtigen aan het knorrende geluid dat ze kunnen maken door met een hun keelkaken langs elkaar te schuren. Porkfish behoren met nog zo’n 150 andere soorten tot de familie van de grunts, ofwel Haemulidae in biologenlatijn. Van de porkfish heb ik geen geluid kunnen vinden maar dit is van een blauwgestreepte grunt (Haemulon sciurus). Klinkt als een varkentje.

Grunts hebben een paar kenmerken gemeen, zoals een rugvin in twee delen: de voorste helft is hard en stekelig, de achterste zacht en buigzaam. Ook aan de anaalvin zitten twee tot drie stekels, waarvan een gemeen stevig en scherp is.  Dat kan van pas als een grote roofvis zijn tanden in een grunt wil zetten. Typerend  zijn ook de ruwe schubben die zelfs doorlopen over de hele kop. Het geeft ze met alle stekels een stevig geharnaste buitenkant.

Een typisch kenmerk van porkfish zijn drie kleine gaatjes op de punt van de onderkaak. Daaraan dankt de porkfish ook de Latijnse soortnaam anisotremus. Aniso betekent namelijk ongelijk (an-iso), tremus verwijst naar trema. Drie stipjes als een ongelijk trema. De geslachtsnaam Virginicus is afgeleid van virga: streep.

gevoelige porien

Die poriën op de kin zijn kanaaltjes die in verbinding staan met zenuwencellen: neuromasten. Het zijn onmisbare zintuigen voor het voelen van stroming en trillingen, bij het zoeken naar wormen en kleine schelp- en schaaldieren in het koraalzand of tussen zeegras. Eten doen deze vissen voornamelijk ‘s nachts.

Of deze schoonheid in de oven zou belanden, stond bij aankoop niet helemaal vast. Consumeren of conserveren, dat was de vraag. Waarschuwingen dat er ciguatera-vergiftigingen zijn gerapporteerd, deden het eetplan in de koelkast belanden. Ciguatera-vergiftiging wordt veroorzaakt door het ciguatoxine dat vissen in hun lijf opslaan door het eten van een bepaalde tropische algensoort. Kans op problemen is klein en bovendien gerelateerd aan het formaat vis en hoeveel je eet.

De silver snapper was inmiddels wel op tafel beland, maar dat was geen genoegen. Hoewel echt vers verspreidde ze bij schoonmaken en bereiden een rare, metalige oplosmiddelenlucht.  ‘Echt niet te eten’, luidde het oordeel. Een filet stug door blijven proeven, om zo het aroma als typisch Caribisch zee-achtig te leren waarderen werkte niet.

Overigens bleek na enig speuren dat het geen echte snapper kon zijn geweest. Lastig om exact te benoemen:  snapper is een veelgebruikte benaming. Deze vis had veel weg van een porgy en wel de Pluma porgy (Calamus pennatula). Vermoedelijk, want er zijn nog zeker zes soorten porgy die er sterk op lijken. Er is bestaat overigens ook een Whitebone porgy (Calamus leucosteus) die soms silver snapper wordt genoemd, dus de verwarring is wel te begrijpen.

Maar de FAO beschrijving voor deze soort komt wel het meest in de buurt van het stinkexemplaar. Porgy behoren tot de zeebrasems (Sparidae), dat is de familie van de bij ons meer bekende dorades.  Ze worden als ‘important food fish’ beschouwd.

Ook grappig: voor porgy zijn eveneens ciguatera-vergiftigingen gerapporteerd. Het is moeilijk om consequent risico’s te mijden.

De porkfish wacht nu in de vriezer op een geschikte maat pot met sterk water.

 

Egoïstische vleeseters (4) – medialogica

Denk even de fraude in de affaire-Stapel weg en je ziet universiteiten en hoogleraren wetenschap mishandelen als oppervlakkige inspiratiebron voor spectaculaire mediaoptredens. Zo kan het gebeuren dat professoren met een geleerd gezicht flauwekul verkopen en de media het gezagsgetrouw doorvertellen.

(deze post verscheen ook op De Nieuwe Reporter )

Vijfentwintig augustus wisten de vaderlandse media even heel zeker dat vleeseters onzekere, egoïstische mensen zijn. Dat gebeurde over de volle breedte van het medialandschap: op de sites van Trouw, Parool, Reformatorisch Dagblad, Dagblad van het Noorden, Volkskrant, AD, Telegraaf en Gelderlander, plus de sites van bijvoorbeeld de NOS.  Twee weken later meldden dezelfde kranten en sites dat het allemaal onzin is, want het hele onderzoek is gebaseerd op verzonnen data.

Maar zelfs als er geen fraude was geweest, dan zou de wetenschap grof geweld zijn aangedaan. De drie betrokken hoogleraren en Nijmeegse universiteit wisten een beperkt wetenschappelijk onderzoek op te rekken tot een hilarische karikatuur, The Onion waardig.

Het experiment

Ter illustratie het belangrijkste experiment: je laat twee groepen van 24 proefpersonen naar een foto van een biefstuk of een boom kijken en vervolgens een verdeelspel doen. Na het denken aan vlees reageren mensen in dat spel minder sociaal. En op een ‘eenzaamheidsschaal’ van een tot zeven scoren ze een punt hoger dan de boomkijkers.

De Radboud Universiteit Nijmegen vatte het resultaat samen in een persbericht – ‘Vleeseters zijn egoïstischer en minder sociaal’ – smeuïg gelardeerd met citaten. Hoogleraar Roos Vonk: “Het maakt ook dat mensen hufteriger worden als ze aan vlees denken en zich eenzamer voelen.” En: “Het lijkt erop dat vegetariërs en flexitariërs beter in hun vel zitten, en ze zijn ook nog socialer en minder eenzaam”, aldus hoogleraar Diederik Stapel.

Misleidende wetenschappers

Het hele persbericht getuigt van onthutsende zelfoverschatting. Een onderzoeker meet in een laboratoriumspelletje de reactie bij een groep proefpersonen. Om vervolgens met een breed gebaar uitspraken te doen over de gehele mensheid. Er wordt gewoon voorspeld hoe vleeseters en vegetariërs in real life reageren. Sterker: er wordt beweerd hoe ze zijn. Dat is weliswaar geen wetenschapsfraude, maar wel misleiding. Voor een buitenstaander is het onderscheid tussen onderzoeksresultaten en particulier wensdenken volstrekt onduidelijk.

De onderzoekers doen hier categorische uitspraken over zaken waarvan ze vanuit hun onderzoek domweg geen kennis hebben. De conclusies die Stapel en collega’s aan hun data verbinden, zijn in megalomanie vergelijkbaar met een opiniepeiler die na een enquête onder honderd passanten de komende verkiezingsuitslag beweert te voorspellen – en die over vier jaar. Het lijkt op een arts die na een behandeling bij een dozijn dementen ziet dat ze weer een puzzeltje leggen, om vervolgens te twitteren dat Alzheimer tot het verleden behoort.

Ik hoor wel eens: onderzoek is moeilijk, dat moet je opleuken en versimpelen. Zeker als het over psychologie gaat worden dan even een paar bochten afgesneden. Dat is een rare opvatting van wetenschap en journalistiek. Bovendien wordt vergeten dat Stapels onderzoek morele munitie levert in een van de meest gepolitiseerde maatschappelijke discussies van dit moment: het vleesdebat.

Journalisten moeten argwanender zijn

Het persbericht werd een succes mede doordat het alle ingrediënten voor een compleet journalistiek verhaal heeft. Het werd door de Nederlandse media in negen van de tien gevallen ingekort, geredigeerd en als eigen journalistieke productie online gezet.

Die werkwijze toont een raar mechanisme: nieuws van betrouwbaar geachte nieuwsbronnen, zoals universiteiten, wordt door online nieuwsredacties toegeëigend en doorgezonden. Veel media laten wat dat betreft hun professionele verantwoordelijkheid liggen.

De wetenschap verdient iets meer argwaan. Universiteiten leveren geen categorische zekerheden en niet alles wat de hoogleraren beweren is wetenschap.

Medialogica in de wetenschap

Deze affaire laat ook zien dat hoogleraren en universiteiten tegenwoordig veel bewuster bezig zijn met hun ‘media presence’. Persoonlijke blogs, televisie-optredens, columns en lucratieve lezingen stimuleren blijkbaar tot bravoure. Maar de basis blijft onveranderd: wetenschap doet conditionele uitspraken, gebaseerd op observaties binnen een experiment, uitgaande van een specifieke hypothese. Dat taaie gegeven verhoudt zich moeizaam met de wetten van de media, snappy quotes en twitterbare koppen.

De manier waarop er over dit onderzoek is gecommuniceerd is niet exemplarisch. Misschien is de neiging om conclusies zo bruut op te rekken wel kenmerkend voor de sociale psychologie. Toch is het geen totale uitzondering. De communicatiestrategie van universiteiten en hoogleraren is aan het veranderen. Maatschappelijke relevantie en afhankelijkheid van externe financiering vragen om zichtbaarheid in de media met een bondige boodschap.

Maar tegen welke prijs? Ook daar past enig academisch zelfonderzoek. Noblesse oblige: je kunt je niet als nieuwsbron beroepen op een speciale status en autoriteit en tegelijkertijd op het publieke podium de grondslagen van je vak verloochenen.

Lees ook de discussie op NRC Next nav deze post